Teksten van:
Casper verborg
Francine Wildenborg
Hans Gulpen
Ad Lansink
Rinke Nijburg

Ik ben gefascineerd door de ambiguïteit van lichaamstaal en uitdrukkingen. Wat zegt een gezicht? Wat betekent lichaamstaal? Wat kun je te weten komen over wie je werkelijk bent? Deze vragen vormen de rode draad in mijn werk.

Een belangrijke plaats in mijn schilderijen is er voor het gezicht. Het is bij uitstek het deel van het lichaam waarin we laten zien wat we voelen en vinden, of waar we dat juist proberen te maskeren. Het is het deel van het lichaam dat letterlijk en figuurlijk een blik naar binnen geeft.
Via de uitdrukking van het portret en de context, of juist het ontbreken daarvan, wil ik een veelheid aan betekenissen, (voor)oordelen, empathie en associaties oproepen bij de toeschouwer. Het is een wisselwerking tussen innerlijke gevoelens en uiterlijke verschijning. De begrippen kracht, intensiteit en kwetsbaarheid staan hierbij centraal. De spanning tussen pigment, gelijkenis en interpretatie is de leidraad die ik bij het schilderen hanteer. Het is een zoektocht naar het punt waarop materie, voorstelling en compositie samenvallen. Ik heb een voorkeur voor smeuïge, sappige verf. Vloeibaar en transparant. De verf breng ik in meerdere lagen aan; tinten over elkaar geven diepte en rijkdom aan het beeld.
Ik veeg verf weg en bouw er nieuwe lagen omheen. Dikke streken worden afgewisseld met glazige strepen. Kleuren schemeren door elkaar. De druipers, spatten en klodders op het doek zijn een direct gevolg van deze werkwijze. De ontwikkeling van het schilderij, en daarmee ook zijn geschiedenis, wordt zo goed zichtbaar. Voor de ogen van de toeschouwer beweegt het schilderij heen en weer tussen de voorstelling en het gebaar. De anatomie van de persoon valt samen met de anatomie van de verf, het is zowel verf als huid, abstract als realistisch. Hierdoor krijgt het een levendig uiterlijk, wordt de afbeelding opengebroken en een vloeibare werkelijkheid blootgelegd die contrasteert met de solide, bevroren en tijdelijke weergave van het fototoestel.
De schilderijen fascineren door hun imposante nabijheid. Op groot formaat, dicht op de huid. Er wordt een punt bereikt waar vervreemding en aantrekkingskracht elkaar ontmoeten. Het worden monumentale landschappen van verf waarin je kunt dwalen.



Laag over laag over laag over laag
Om het werk van Casper Verborg kun je niet heen. De schilderijen zijn immens, indringend. Gezichten: triest, afwezig, streng en kwetsbaar tegelijk. Een donker gezicht met zwarte schmink kijkt je aan, twee bij anderhalve meter. Ernaast dezelfde donkere jongen, even enorm afgebeeld, maar nu met witte schmink. De jonge kunstenaar Casper Verborg (29) liet zich voor zijn meest recente serie schilderijen inspireren door theaterfenomeen Blackface: in de 19e eeuw schminkten blanke acteurs zich zwart om 'dommige' negers te spelen.
In galerie Stills in Nijmegen - waar Verborg een solo-expositie heeft - hangen ook twee portretten van een blanke, typisch Nederlandse, man die zowel zwart als wit geschminkt is. "Ik wil mensen aan het denken zetten. Over racisme, vooroordelen, maar ook het werk zelf moet een reactie opwekken. Van ver is het een indringende blik, maar kom je dichterbij dan zijn de strepen in de schmink een schilderij op zich." Verborg schildert in lagen. Hij begint met een laag donkerblauwe olieverf, pruisisch-blauw. Ā Daaroverheen komt dan nog een laag, nog en nog een. "Bij de Blackface serie zijn dat zo'n vijftien lagen." Het effect is bijzonder: de schmink lijkt geen verf, maar een tweede huid die ademt.
Het is twee jaar geleden dat Verborg voor het eerst in Stills exposeerde. Veel zelfportretten en portretten van zijn vriendin. Inmiddels werkt de jonge kunstenaar - van oorsprong uit Lobith, nu woonachtig in Arnhem - meer met modellen. Zoals de donkere jongen, die hij van de straat plukte. "Gezichten fascineren me. Dat kan ook een foto in de krant zijn." Zo kwam het werk Roodkapje tot stand: een vrouw die Verborg tooide met een bos felrood haar. "Haar blik op de foto sprak me aan. Streng en kwetsbaar tegelijk." De 29-jarige houdt van tegenstellingen. "Daarom noem ik mijn schilderijen geen portretten, een portret is een weergave van de werkelijkheid, maar mijn werk is meer." Verborg wil een reactie afdwingen. "Het kan de kijker verdrietig maken, maar ook boos of juist rustig. De gelaagdheid zit niet alleen in de verf, maar ook in de persoon die is afgebeeld." Nog steeds schildert Verborg zichzelf en zijn vriendin. Maar nu met fellere kleuren. "Mijn vriendin staat model, maar ik schilder haar niet precies na. Ik gebruik haar uiterlijk en karaktereigenschappen." En dus is haar blik even afwezig als indringend, haar groene haren kunnen net zo goed een helm zijn. Verborgs werk vraagt om vele blikken, elke laag een kunstwerk op zich.
De Gelderlander, 18-03-2011



M
ensen als landschappen van verf
Nog niet zo lang geleden, we hoeven er eigenlijk maar een paar jaar voor terug in de tijd, werd je als kunstschilder nauwelijks serieus genomen als je niet abstract werkte.
Naturalistisch schilderen, iets maken dat sterke gelijkenis vertoont met de werkelijkheid, werd als achterhaald en ouderwets beschouwd. Dat deed je niet. Studenten die op de kunstacademie desondanks een neiging vertoonden tot figuratie, werden door hun docenten ernstig onder handen genomen of, als je de verhalen mag geloven, van school gestuurd.
Gelukkig is het tij gekeerd. Realisme mag weer. Sterker nog: het kan zich, zo laat ook de belangstelling voor het werk van de Britse kunstenaar Lucian Freud zien, verheugen in een ongekende populariteit. In dat opzicht heeft de jonge Arnhemse schilder Casper Verborg de wind mee. Verborg (27) heeft namelijk een niet te stuiten aandrang tot figuratie. Daar had hij al hevig last van toen hij nog op de Arnhemse academie zat, waar hij in 2003 afstudeerde, en zo is het gebleven. Hij schildert het liefst uitsluitend mensen.
In de Nijmeegse galerie Stills hangen nu dertien doeken van de in Lobith geboren Verborg. Dat is niet veel, maar meer passen er gewoon niet in. Want de meeste doeken zijn royaal, zo niet monumentaal van omvang. Zo hangt daar het gezicht van zijn vriendin, liggend gereflecteerd in een glimmend oppervlak, dat 1,5 bij 1,5 meter beslaat. "Groot voelt goed", zegt Verborg. "Het stelt je in staat realistisch te werken zonder dat het al te fijn hoeft te worden." Bovendien, vindt hij, geeft de grootte aan zo'n portret - net zo als de naakten die hij schildert - meerwaarde. "Het wordt meer dan een een-op-een afbeelding, bijna een object. Er ontstaat als het ware een landschap van verf. En het krijgt meer zeggingskracht."
Meestal schildert hij zichzelf. Niet uit narcisme, licht hij toe. "Ik heb gewoon meer geduld dan mijn modellen en ik ben er nu eenmaal toch." Op een aantal doeken heeft hij zichzelf met zijn vriendin afgebeeld. Of haar alleen, liggend, naakt.
Gelijkenis is niet het streven, zegt Verborg, maar ontstaat vanzelf als de tonen en kleuren 'op de juiste plek vallen'.
Wat hem vooral interesseert is het oproepen van spanning in de voorstelling. "Er moet iets raadselachtigs vanuit gaan. Dat prikkelt de toeschouwer. Je weet niet precies wat er in mijn personages omgaat, waar ze hun blik op richten, en daar ga je als kijker dan je eigen verhaal bij maken - als het indringend genoeg is." Het kleurengamma op zijn doeken is beperkt, op een enkele uitschieter na. Dat dwingt de kijker, zegt hij, om zijn best te doen en het werk volledig tot zijn recht te laten komen. Een deel van de spanning ligt in de spiegelingen van zijn personages, die soms wel drievoudig in beeld komen. "Zo krijg je op een moment drie verschillende uitdrukkingen van een persoon. Ze kijken steeds anders en roepen zo ook een andere emotie op."
Schilderde hij aanvankelijk nog wel eens iets van een omgeving, inmiddels is alle decor om zijn personages weggevallen. Want zonder omringende attributen krijgt de voorstelling naar zijn idee een algemenere geldigheid.
De Gelderlander, 17-01-2009




Mensen die boeien en beelden die te raden laten
Ad Lansink in gesprek met Casper Verborg

Casper, wanneer ontdekte je dat het kunstenaarschap lonkte? Was het toen je olieverf cadeau kreeg of was je al eerder verzot op tekenen? Als jong jochie was ik vroeg aan het tekenen. Portretten natekenen bij voorbeeld. Of indianenverhalen: die boeiden mij zo, dat ik ze zelf wilde tekenen. Op het Andreascollege in Zevenaar had ik ook een voorliefde voor tekenen. Het werd schilderen toen ik op 15-jarige leeftijd enkele tubes olieverf cadeau kreeg. Ik ben met dat materiaal aan de slag gegaan, zonder er mee op te houden. Ik schilder uitsluitend met olieverf.

De stap naar de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem was dus gauw gezet? Nee, ik heb me eerst wat breder georiƫnteerd. De studie van de kunstgeschiedenis trok me ook wel. Maar bij nader inzien leek mij dat toch te theoretisch. Ik wilde de praktijk voelen en meemaken, en ik wilde het ambachtelijke beleven.

Daarin past zeker het gebruik van olieverf? Wat is voor jou het verschil met acryl? Dat materiaal wordt toch ook vaak gebruikt. Jawel, maar doeken die met olieverf worden geschilderd zijn rijker van kleur en dieper van werking. Acryl doet toch matter aan. Met acryl mis ik de diepte, die van belang is voor de zeggingkracht. Olieverf biedt mij meer mogelijkheden. De doeken zijn meestel ook briljanter. Door de langere droogtijd krijgt het doek meer rust. Het schilderij kan dan rijpen en groeien.

...

Wie via het wereldwijde web Casper Verborg zoekt en (snel) vindt, treft de naakte kunstenaar achter zijn ezel. Is dat een grap, die tot nadenken moet stemmen of een aanwijzing wat de kijker te wachten staat?
Het is geen bewuste grap, meer een knipoog die past bij mijn werk en ook bij mijn aanpak. Natuurlijk wil ik de aandacht van de kijker trekken. Het beeld van de kunstenaar, met zijn blote rug zichtbaar, hard aan het werk om een grove schets neer te zetten voert de toeschouwer naar de realistische figuren, die vervolgens hun eigen verhaal vertellen. Dat die verhalen voor meer interpretaties vatbaar zijn, spreekt bijna vanzelf.

Je werk is figuratief van aard maar bevat toch abstracties, vooral in de wat afstandelijke wijze waarop de mannen en vrouwen de wereld in kijken.
Dat klopt wel, ja. Wanneer het idee er eenmaal is, concentreer ik me op de technische aspecten: vormen, lijnen, kleuren en compositie. Ik kijk vooral naar de vlakverdeling. Dan komt vanzelf de gestalte te voorschijn, soms wat hoekig met scherpe lijnen. Bij het schilderen richt ik me op de kleuren en tonen, op de structuur van de menselijke huid. Ik probeer de toetsen goed te krijgen. Als ik daar tevreden over ben, dan krijg je de gelijkenis er gratis bij. Het komt trouwens ook door de schaalvergroting. Het uiteindelijke beeld moet als het ware de figuren overstijgen. Het zijn immers geen portretten. Door de monumentale uitstraling van mijn werk zijn de schilderijen ook landschappen van verf. Wat de afstandelijkheid betreft, een goed schilderij moet spannend zijn en prikkelen. Er moet een zekere raadselachtigheid in zitten. Voor mij schuilt dat meer in melancholieke gezichten dan in vrolijke koppen.

Casper: je schildert vrijwel uitsluitend mensen. Waarom, wat boeit jou in mensen? Hun relaties? Of zijn het de emoties? Mensen zijn en blijven interessante wezens, boeiend om naar te kijken, en boeiend om mee te werken. Om met dat laatste te beginnen: ik denk aan de anatomisch vorm, de verscheidenheid aan kleur, de variatie in uitdrukking. Je kunt met de mens alle kanten uit. Je kunt er ook allerlei gevoelens mee uitdrukken. Ook hun drijfveren. Dat kan soms wel confronterend uitpakken. De herkenbaarheid van een opgeroepen beeld kan dan doen schrikken. Neem bijvoorbeeld het doek 'The Elephant Man': sommige toeschouwers vinden het schilderij wel komisch door de fel gekleurde sokken van de vrouw en de boxer van de man, die zich over een vrouw buigt. Andere kijkers vinden het schilderij eng omdat het gelaat van de man onzichtbaar is, en de vrouw weerloos op de grond ligt.


Wat wil je dan eigenlijk met zo'n schilderij zeggen? Inhoud is een glimp van iets, een ontmoeting. Ik wil de mensen aan het denken zetten, op het spoor van een eigen zoektocht. Een goed schilderij heeft een betekenis zonder dat die betekenis of bedoeling er bovenop ligt. De associaties van de kijkers kunnen dus meer kanten opgaan. Een titel bedoelt ook niet meer dan de blik te leiden.

Je schildert weinig achtergrond, hoe dan ook rustig met meestal ingetogen kleuren. Doet de omgeving er niet toe? Ja en nee. De lege achtergrond is een bewuste keuze. Het is geleidelijk zo gegroeid. Aanvankelijk schilderde ik ook de omgeving: een vrouw op een bank. Maar het geheel werd teveel een setting, tijd en plaats gebonden. Ik zoek een tijdloos beeld, universeel: die kant wil ik op. Je kunt dan niet om de mens heen. De achtergrond van het doek moet dus zo geschilderd zijn dat de figuren letterlijk en figuurlijk beeldbepalend zijn.
...

Terug naar de techniek. Zijn studies en schetsen vooraf noodzakelijk of komen de beelden vanzelf op het doek?
Nee, niet vanzelf. Ik kies meestal voor een uitvoerige voorbereiding. Ik begin met foto's vanuit verschillende standpunten. Vervolgens ga ik tekenen om een goede compositie te vinden. Aantekeningen helpen me bij de verdere uitwerking. Dan maak ik een eerste schets, en zoek naar de beste vorm en naar een evenwichtige vlakverdeling, ook ruimtelijk. Vervolgens komt de olieverf te voorschijn om het doek de uiteindelijke vorm te geven. De verf breng ik in meerdere dunne lagen aan: tinten over elkaar geven diepte en rijkdom aan het beeld.

Welke rol spelen de kleuren in jouw werk: hoofd- of bijzaak? Ik begrijp die vraag, omdat mijn werk soms tamelijk monochroom lijkt, door de beperking van het aantal kleuren. De gelaagdheid geeft diepte. Bovendien is de tegenstelling tussen de figuren en de achtergrond groot. Die beperking is tegelijkertijd de kracht. Het beeld ontvouwt zich pas goed als je erin duikt. Je moet er moeite voor doen. Verf is kleur, en kan dus niet anders dan een hoofdrol spelen.
Beeldspraak nr.1, uitgave bij de expositie van Casper Verborg van 10 januari tot 8 februari in Galerie Stills, Nijmegen.




openingswoord Galerie Stills Nijmegen

In mijn aantekeningen van 14 december 2001 staat onder de naam Casper Verborg: wil niet het onderwijs in. En even daaronder: echte classicus. Casper studeerde van 1999 tot halverwege 2003 aan de Docentenopleiding beeldende kunst.
Zelf heb ik ook de lerarenopleiding doorlopen en ook in Arnhem. Ik studeerde er 16 jaar eerder af, in 1987. In een heel andere tijd. Sinds 2001 geef ik in Arnhem les. Daarvoor heb ik nog een jaartje lesgegeven aan de Academie Minerva in Groningen. Je had in Groningen heel lang twee kampen. Het kamp van de realisten, de Groningse school der figuratieven. Op een goede dag haalde men daar, op Academie Minerva, een klein paardje van Troje binnen. Kunstenaars die abstract werkten: Toon Verhoef en Ton Mars. Ik heb mij laten vertellen dat de controverse tussen de oude en de nieuwe school, tussen de figuratieven en de abstracten, tussen het platteland en de stad, tussen Groningen en Amsterdam zo hevig was dat ze niet samen in een café konden zitten zonder dat er bierglazen en ruiten sneuvelden. Men had elk zijn eigen café schuin tegenover elkaar
...

Een keer maakte ik Matthijs Röling mee. Bij een examen van een studente. Röling was eigenlijk al bijna helemaal weg van de academie - met pensioen denk ik - maar een enkele student volgde hij nog. Het ging om een studente die pastels maakte die vreselijk veel leken op het werk van Edgar Degas. Het kon niet uitblijven dat de studente er van langs kreeg van een van de Amsterdamse jongens die het maar moeilijk konden velen dat iemand anno 2000 nog Edgar Degas-achtige dingen maakte. We leefden immers bijna honderd jaar later en de kunst was allang heel ergens anders aanbelandt. 'Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat het werk wat oppervlakkig is en buitenkant blijft.' zei de moderne meester, 'Je werk is technisch misschien wel goed, maar het zou de diepte in moeten wil het ooit echt iets worden.' Matthijs Röling, die tot dan toe weinig of niets had gezegd, reageerde als door een wesp gestoken: 'De schilderkunst heeft alleen een buitenkant, dat is de vorm en de verf, voor de binnenkant moet je bij de psychiater wezen. Daar bemoeien wij ons hier niet mee.' Het was aangenaam nog iets van dat staartje van de klassenstrijd te mogen meemaken.

Zelf heb ik nog een docent meegemaakt die ons vertelde hoe het ging als een student nog figuratief durfde te werken. Hij zei: Er is een tijd geweest dat ik studenten die figuratief werkten gewoon van de academie schopte.' Hij zei het met een lachje alsof hij er zelf nu ook niet meer in kon geloven dat hij ooit zoiets gezegd had. En mijn vrouw, de kunstenaar Gerda Ten Thije, vertelt wel eens de anekdote over een medestudent die een jaar hoger zat dan zijzelf. Toen die Gerda's werk zag en opmerkte dat het nogal figuratief was, meende hij met enige trots te moeten zeggen: 'Jeetje, schilder jij nog figuratief? Ik schilder allang abstract.'


De dagen dat Piet Mondriaan en Theo van Doesburg ruzie konden krijgen over al dan niet schuine lijnen in een beeld lijken een eeuwigheid lang achter ons te liggen. U moet de preken van Theo van Doesburg eens lezen waarin hij uitlegt dat de abstracte schilderkunst echt op een hoger plan staat dan de figuratie en de volwassenheid aangeeft van de nieuwe mens.
Men kan altijd wel iets verzinnen wat hoger staat dan het andere. Zoals kleine kinderen doen: de auto van mijn vader is veel groterder dan die van jouw vader, zo doet men in de kunst ook graag: fotografie en film zijn veel modernerder dan schilderen en tekenen. Ik kan slechts observeren dat de nieuwste generaties studenten nog altijd erg graag schilderen en tekenen. Ook is de figuratie teruggekeerd. En niet zo'n klein beetje ook. Het liefst wil men weer uiterst figuratief en klassiek schilderen. En alles moet lijken op wat het in het echt is. Alsof, zoals Matthijs Röling meende, de schilderkunst alleen een buitenkant heeft en geen binnenkant, geen spiegel van de ziel kan zijn of spiegel van een idee. Alsof de werkelijkheid echt samenvalt met wat we kunnen zien met onze ogen.

De enorme populariteit van de Engelse schilder Lucian Freud spreekt boekdelen. Het werk van Marlene Dumas is daar bij vergeleken eigenlijk alweer vrij abstract zoals ze onlangs zelf ook opmerkte in een televisie-interview. Dumas heeft een grote tentoonstelling in het Moma in New York. Een of andere Amerikaan vroeg, langs de schilderijen lopend, wat ze ervan vond om in het bolwerk van de abstracte schilderkunst tentoon te stellen. O zei ze, maar daar voel ik mij helemaal thuis. Mijn werken zijn eigenlijk ook heel abstract. En zo is het ook. Of Casper naar Marlene Dumas in het Moma is gaan kijken betwijfel ik, maar hij zal de tentoonstelling van Lucian Freud in het Gemeentemuseum in Den Haag ongetwijfeld hebben bezocht.

Van de gesprekken met Casper herinner ik mij vooral dat ik hem zei dat ik zijn werk erg goed vond, maar dat de duvel wel los mocht. Ik kan mij niet meer herinneren of ik hem vertelde dat Marlene Dumas mij op de Rijksakademie hetzelfde zei. Ik was daar in 1993 en 1994 student en sprak Dumas eens in de maand een uur. Zei kwam al pratend binnen en stopte daar niet mee voor het uur om was. Ondertussen sprong zij van de hak op de tak en maakte geen enkele zin af. Zo had zij het ook over een duotentoonstelling met Lucian Freud in Londen. En dat hij de verf zo dik aanbracht en met zand erin. En dat ze daar bedenkingen bij had. Mijn werk vond ze te lief. De duvel heb ik jaren later pas losgelaten. Toen ik tegen Emo Verkerk, kunstenaar van fragiele portretten van kwetsbare mensen en in diezelfde periode ook docent aan de Rijks zei wat Dumas mij had gezegd, antwoordde hij: 'Zo dus Marlene vindt jouw werk te lief. Maar wat is daar mis mee? Lief zijn is dapper.'


Casper, ik wist dat je kunstenaar zou worden en niet zou verdwijnen in het onderwijs. Het schildersbloed zit in je, daar is niets aan te doen. Je bent een begenadigd schilder aan het worden, met een groot gevoel voor kleur en voor de kwetsbare open mens, een mens die wij in deze tijden van toenemende hardheid beginnen te missen. Onthoud de woorden van Emo: Lief zijn is dapper. Jouw tijd als kunstenaar komt eraan. Want naast de hardheid moet de zachtheid bestaan.
Fragmenten uit het openingswoord bij de tentoonstelling in Galerie Stills, 10-01-2009

Casper Verborg
































Francine Wildenborg




































Hans Gulpen












































Ad Lansink





























































































Rinke Nijburg